ECLI:NL:RBDHA:2022:10431

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 augustus 2022
Publicatiedatum
11 oktober 2022
Zaaknummer
NL21.18354
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 APArt. 62 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen terugkeerbesluit wegens onrechtmatig verblijf en arbeid als zelfstandige

Eiser, een Turkse onderdaan geboren in 1996, heeft in 2020 een verblijfsvergunning regulier aangevraagd voor arbeid als zelfstandige, welke is afgewezen. De rechtbank bevestigde deze afwijzing in januari 2021, waarna eiser onrechtmatig in Nederland verbleef en arbeid verrichtte.

Op 18 november 2021 legde de staatssecretaris een herhaald terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van 28 dagen. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat het terugkeerbesluit niet had mogen worden opgelegd vanwege een aanhangige nieuwe aanvraag mvv, strijd met het evenredigheidsbeginsel en onvoldoende verlenging van de vertrektermijn.

De rechtbank oordeelde dat de standstill-bepaling niet van toepassing was omdat op het moment van oplegging van het terugkeerbesluit geen nieuwe aanvraag mvv als zelfstandige aanhangig was. Ook was het terugkeerbesluit terecht opgelegd na een behoorlijke hoorplicht en belangenafweging. Verder was onvoldoende onderbouwd waarom een langere vertrektermijn dan 28 dagen gerechtvaardigd zou zijn.

Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en de vertrektermijn van 28 dagen blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.18354

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. Genee).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit rechtstreeks beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2022 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich beiden laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Turkse nationaliteit. De verblijfsvergunning regulier die eiser in 2020 heeft aangevraagd is door verweerder afgewezen, omdat eiser geen geldige mvv [1] voor ‘arbeid als zelfstandige’ kon overleggen. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 januari 2021 is de afwijzing van deze verblijfsvergunning in rechte vast te komen staan. [2] Eiser verblijft sindsdien onrechtmatig in Nederland.
2. Op 18 november 2021 heeft de vreemdelingenpolitie geconstateerd dat eiser nog steeds in Nederland verblijft en ook arbeid verricht. Daarom heeft verweerder een (herhaald) terugkeerbesluit - met rechtsgevolg - aan eiser opgelegd met een vrijwillige vertrektermijn van 28 dagen.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
3. Eiser voert in beroep aan dat verweerder geen terugkeerbesluit had mogen opleggen. Volgens eiser is het opleggen en handhaven van het terugkeerbesluit - terwijl een nieuwe aanvraag voor een verblijfsvergunning aanhangig is - in strijd met de zogenaamde standstill-bepaling. [3] Daarnaast voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat verweerder in de belangenafweging geen blijk geeft van de nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor eiser. Tenslotte voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet tot verlenging van de vertrektermijn is overgegaan.
4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze beroepsgronden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt daartoe als volgt:
5.1
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op de standstill-bepaling. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat een Turks onderdaan enkel een geslaagd beroep kan doen op de standstill-bepaling als hij of zij tenminste het aantoonbare voornemen heeft om als zelfstandig ondernemer in Nederland te gaan werken. [4] Een dergelijk voornemen kan worden bewezen door het tenminste aanhangig zijn van een aanvraag voor dat specifieke verblijfsdoel. [5] Nu vaststaat dat eiser op het moment van oplegging van het terugkeerbesluit nog geen nieuwe aanvraag voor verblijf als zelfstandig ondernemer had ingediend – de door eiser genoemde aanvraag werd pas enkele dagen na het opleggen van het bestreden besluit ingediend – was de standstill-bepaling op dat moment sowieso niet van toepassing zijn op deze zaak. Reeds daarom faalt deze beroepsgrond.
Overigens wijst de rechtbank er nog op dat op de zitting is gebleken dat de opvolgende aanvraag ondertussen ook is afgewezen. Indien eiser het daar niet mee eens is, kan hij tegen dat besluit een rechtsmiddel aanwenden.
5.2
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan eiser een terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen. Uit de stukken blijkt dat eiser door de vreemdelingenpolitie tijdens een daartoe strekkend gehoor in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven op het voornemen hem een terugkeerbesluit op te leggen. Eiser heeft bij dit gehoor geen redenen aangevoerd om daarvan af te zien. De redenen die eiser vervolgens in beroep aanvoert om op het terugkeerbesluit terug te komen zijn niet met stukken onderbouwd en leiden daarom al niet tot een ander oordeel. Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzoek uitgevoerd en alle betrokken belangen van eiser kenbaar in de belangenafweging meegewogen. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is niet gebleken.
5.3
Tenslotte heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom verweerder hem een langere vertrektermijn dan 28 dagen had moeten gunnen. Eiser heeft onvoldoende met schriftelijke stukken inzichtelijk gemaakt waarom zijn bedrijfsinvesteringen in Nederland tot verlenging van de vertrektermijn moeten leiden. Daarnaast heeft eiser geen andere bijzondere omstandigheden aangetoond die verlenging rechtvaardigen.
Wat is de conclusie?
6. Het beroep is ongegrond.
7. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hoger beroepschrift. U moet dit hoger beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf
2.Zie de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag, van 28 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:576.
3.Artikel 41, eerste lid van het Aanvullende Protocol bij het Associatieverdrag Turkije-EU/EER
4.Zie de uitspraak van Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 7 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10632, rechtsoverweging 5.
5.Zie de uitspraak van Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 7 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10632, rechtsoverweging 5.