ECLI:NL:RBDHA:2022:10331
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in ontnemingsprocedure wegens gebrek aan strafvorderlijk belang
De veroordeelde was in 2015 veroordeeld voor het verkopen en aanwezig hebben van heroïne en cocaïne, evenals voorbereidingshandelingen met versnijdingsmiddelen. De ontnemingsprocedure werd aanvankelijk aangehouden en later niet voortgezet door het Openbaar Ministerie vanwege het ontbreken van een strafvorderlijk belang.
Op 26 september 2022 verzocht het Openbaar Ministerie de rechtbank om niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter waarde van € 39.047,60. De verdediging stemde hiermee in, met het argument dat ook het belang van de veroordeelde bij een berechting binnen redelijke termijn meeweegt.
De rechtbank oordeelde met terughoudendheid over de beleidsvrijheid van het Openbaar Ministerie en concludeerde dat het OM zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat voortzetting van de ontnemingsprocedure niet langer gerechtvaardigd was. Factoren zoals de aard en ernst van de feiten, het ontbreken van slachtoffers, de ouderdom van de zaak, de overschrijding van de redelijke termijn en de verwachte duur van de berechting werden meegewogen.
De rechtbank verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming, waarmee een voortzetting van de strafrechtelijke handhaving niet langer noodzakelijk werd geacht.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming wegens het ontbreken van een strafvorderlijk belang bij voortzetting.