ECLI:NL:RBDHA:2021:9832
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopige verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familieband minderjarig kind
Eiser, een minderjarige met Eritrese nationaliteit, verzocht via zijn vader (referent) om een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) in het kader van nareis. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de identiteit van eiser en de familierechtelijke relatie met de referent. Ondanks het overleggen van een doopakte en vluchtelingendocumenten, kon de identiteit en gezinsband niet worden vastgesteld.
De rechtbank concludeert dat de overgelegde documenten, waaronder een doopakte en vluchtelingenpas, onvoldoende substantieel bewijs vormen. De doopakte was niet te beoordelen door het Bureau Documenten en vertoonde wijzigingen in geboortedatum. Ook officiële documenten omtrent het huwelijk en de echtscheiding van de referent ontbraken. Nader onderzoek werd aangeboden maar kon niet plaatsvinden vanwege afwezigheid van de moeder van eiser.
Het beroep op het belang van het kind faalt omdat zonder duidelijke identiteit geen belangenafweging mogelijk is. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris de bewijslast correct heeft toegepast en het besluit deugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er volgt geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie.