ECLI:NL:RBDHA:2021:9782
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing homologatieverzoek crediteurenakkoord wegens onvoldoende informatievoorziening
De besloten vennootschap [verzoekster] verzocht de rechtbank Den Haag om homologatie van een crediteurenakkoord op grond van de Faillissementswet. Het akkoord was opgesteld in het kader van de WHOA-procedure vanwege de financiële problemen veroorzaakt door de coronapandemie. Diverse klassen van schuldeisers en aandeelhouders waren betrokken, waarvan drie klassen instemden met het akkoord.
De Rabobank diende een afwijzingsverzoek in, stellende dat meerdere afwijzingsgronden uit artikel 384 Faillissementswet Pro van toepassing waren, waaronder gebrekkige informatievoorziening, onjuiste berekening van haar vordering, paulianeuze rechtshandelingen en onjuiste waardering van de reorganisatiewaarde. De rechtbank onderzocht ambtshalve de afwijzingsgronden.
De rechtbank oordeelde dat de informatievoorziening ontoereikend was: er ontbraken lijsten met stemgerechtigde schuldeisers, toelichtingen bij klassenindeling en een transparante onderbouwing van de reorganisatiewaarde. Ook was de klassenindeling onduidelijk en onjuist toegepast, onder meer doordat aandeelhouders ten onrechte als stemgerechtigde klasse werden gepresenteerd en preferente en concurrente leasemaatschappijen niet gescheiden waren. De berekening van de reorganisatiewaarde was onvoldoende onderbouwd en niet transparant.
Gezien deze tekortkomingen kon niet worden uitgesloten dat de gebreken tot een andere uitkomst van de stemming hadden kunnen leiden. Daarom wees de rechtbank het homologatieverzoek af. Het verzoek van Rabobank tot afwijzing van het homologatieverzoek werd afgewezen wegens gebrek aan belang. Tevens werd het salaris van de observator vastgesteld op €12.500,- exclusief btw, ten laste van [verzoekster].
Uitkomst: Het verzoek tot homologatie van het crediteurenakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende en onduidelijke informatievoorziening.