ECLI:NL:RBDHA:2021:9237
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belaste fictieve vervreemding aandelen bij overlijden aanmerkelijkbelanghouder
De rechtbank Den Haag behandelde een geschil over de belastingheffing bij het overlijden van een aanmerkelijkbelanghouder. De inspecteur had een navorderingsaanslag opgelegd omdat hij een fictieve vervreemding van aandelen aannam op grond van artikel 4.16 lid 1 onderdeel e van de Wet IB 2001. De erfgenaam betwistte deze heffing en stelde dat de aandelen niet tot de nalatenschap behoorden vanwege een fideï commis de residuo.
De rechtbank oordeelde dat het overlijden van de erflaatster inderdaad een fictieve vervreemding inhoudt, ook als de aandelen via het fideï commis de residuo aan derden zijn uitgekeerd. De wettelijke fictie van artikel 4.16 lid 1 onderdeel e is bedoeld om belastingheffing te waarborgen bij overlijden, ongeacht of de aandelen formeel tot de nalatenschap behoren.
De rechtbank verwierp de stelling dat het oude aanmerkelijkbelangregime of het testamentair vruchtgebruik van toepassing zou zijn. De navorderingsaanslag en de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering werden terecht opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wegens fictieve vervreemding van aandelen bij overlijden wordt bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.