ECLI:NL:RBDHA:2021:9213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 augustus 2021
Publicatiedatum
23 augustus 2021
Zaaknummer
NL21.5775
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:71 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag wegens Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND

Eiser heeft op 7 juni 2019 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het uitblijven van een beslissing stelde eiser op 31 maart 2020 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en legde een termijn van zestien weken op voor verweerder om een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

Op 15 april 2021 stelde eiser opnieuw beroep in wegens het niet tijdig beslissen, maar verweerder besloot alsnog op 11 juni 2021. Het beroep werd op 18 juni 2021 ingetrokken, met een verzoek om proceskostenvergoeding. De rechtbank overwoog dat sinds 11 juli 2020 de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND van kracht is, die het instellen van beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvragen voor een jaar uitsluit.

De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat de rechtbank bij ingebrekestelling en verzuim wel kan beslissen, maar dat na inwerkingtreding van de Tijdelijke wet dit niet meer mogelijk is. Hierdoor is de rechtbank onbevoegd om te oordelen over het beroep en het verzoek om proceskostenvergoeding. Eiser wordt verwezen naar de burgerlijke rechter voor verdere vorderingen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.5775

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Martens),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. el Benaissati).

Procesverloop

Op 7 juni 2019 heeft eiser een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 31 maart 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag.
Bij uitspraak van 23 september 2020 [1] van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, is het door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat verweerder binnen zestien weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. De rechtbank heeft voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. Tevens is verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50.
Op 15 april 2021 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag.
Op 11 juni 2021 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist.
Het beroep is op 18 juni 2021 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
Verweerder heeft op 1 juli 2021 op het verzoek om proceskostenveroordeling gereageerd.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op 11 juli 2020 is de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (de Tijdelijke wet) in werking getreden [2] . De kern daarvan is dat de wetgever het onmogelijk heeft gemaakt beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een asielaanvraag [3] . De hoofdregel van artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet regelt namelijk dat artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb [4] voor een periode van een jaar niet van toepassing is op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel [5] . De wetgever heeft uit een oogpunt van efficiëntie gekozen voor het afwijken van het algemeen bestuursrechtelijke systeem van dwangsommen [6] .
2. Bij uitspraak van 12 mei 2021 [7] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat een ingebrekestelling zijn werking verliest wanneer de rechtbank naar aanleiding van deze ingebrekestelling beslist op het beroep wegens het niet tijdig beslissen, vaststelt dat verweerder in verzuim is, verweerder opdraagt de al verbeurde dwangsommen te vergoeden en een besluit te nemen op de asielaanvraag.
3. Hiervan is ook in het geval van eiser sprake. Bij de uitspraak van 23 september 2020 heeft de rechtbank, naar aanleiding van de ingebrekestelling van 20 februari 2020, vastgesteld dat verweerder in verzuim was, verweerder opgedragen binnen zestien weken na de dag van verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken, bepaald dat verweerder een dwangsom verbeurt indien de gestelde termijn wordt overschreden en verweerder in de proceskosten veroordeeld.
4. Gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling betekent dit dat het beroep van eiser niet valt onder de uitzondering geregeld in artikel 3 van Pro de Tijdelijke wet, maar dat de hoofdregel van artikel 1 van Pro die wet van toepassing is. De rechtbank kan daarom geen oordeel geven over de vraag of verweerder op tijd op de asielaanvraag van de eiser heeft beslist en dus ook niet over het verzoek om een proceskostenveroordeling. Dit betekent dat eiser voor de periode dat de Tijdelijke wet artikel 6:2 van Pro de Awb buiten toepassing stelt in vreemdelingenzaken, uitsluitend nog een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen [8] . Het voorgaande betekent dat de rechtbank kennelijk onbevoegd is van het beroep en het daaruit voortvloeiende verzoek om proceskosten kennis te nemen.
5. De rechtbank acht zich niet bevoegd om zich over de proceskosten uit te spreken.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin
u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit
verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet
deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten,
kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.NL20.7914
2.Stb 2020, 242
4.Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit gelijkgesteld:
5.artikel 28, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000
6.Kamerstukken II 2019/20, 35 476, nr. 3
8.artikel 8:71 van Pro de Awb