ECLI:NL:RBDHA:2021:902
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht afgewezen
De eiser, van Egyptische nationaliteit, maakte bezwaar tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 23 oktober 2020 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid was opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank had de maatregel reeds op 29 december 2020 getoetst en toen als rechtmatig beoordeeld tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 22 december 2020. Het geschil betrof nu de rechtmatigheid van de maatregel na die datum.
De eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting omdat de Egyptische autoriteiten niet reageerden op de aangevraagde reisdocumenten. De staatssecretaris had echter meerdere uitzettingshandelingen verricht, waaronder een Laissez-passer-aanvraag, persoonlijke presentatie van de eiser en herhaalde rappellering bij de Egyptische autoriteiten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende inspanningen had geleverd en dat er geen sprake was van onvoldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.