ECLI:NL:RBDHA:2021:8992

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2021
Publicatiedatum
17 augustus 2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3909
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArtikel 32 Verordening EU nr. 810/2009VisumcodeArrest HvJ EU 19 december 2013, Koushkaki C-84/12
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening visum kort verblijf wegens gevaar volksgezondheid

Verzoekster, een Zuid-Afrikaanse vrouw, vroeg om een visum voor kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken na het overlijden van haar echtgenoot en moeder. Haar aanvraag werd door de minister van Buitenlandse Zaken afgewezen vanwege het coronavirus, dat een gevaar voor de volksgezondheid vormt.

Verzoekster stelde dat zij geen gevaar vormde omdat zij een medische verklaring had waaruit bleek dat zij geen corona had en dat zij aan de visumvoorwaarden voldeed. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het verzoek om een voorlopige voorziening feitelijk geen voorlopig karakter had omdat het toewijzen zou betekenen dat de minister voor voldongen feiten werd gesteld.

De rechtbank stelde dat er geen zwaarwegend spoedeisend belang was dat de afwijzing niet kon worden afgewacht en dat het besluit niet evident onrechtmatig was. Het coronavirus is een epidemische ziekte en Zuid-Afrika is een zeer hoog risico gebied. Een medische verklaring is slechts een momentopname en sluit niet uit dat verzoekster het virus later kan oplopen en verspreiden.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter D. Biever op 22 juli 2021 en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen zwaarwegend spoedeisend belang bestaat en het besluit niet evident onrechtmatig is.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/3909
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juli 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoekster], verzoekster,

v-nummer: 278.940.4948
(gemachtigde: drs. F.W. King),
tegen

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. F.W.A. Croonen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een visum voor kort verblijf afgewezen.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoekster heeft daarop een schriftelijke reactie ingediend.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Verzoekster is geboren op [geboortedag] 1955 en bezit de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Zij heeft verweerder gevraagd haar een visum voor kort verblijf te verstrekken om familie in Nederland te bezoeken. Haar echtgenoot en moeder zijn recent overleden en samen met haar in Nederland wonende kinderen wil ze dit verlies verwerken. Zij beoogt op 23 juli 2021 Nederland in te reizen.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster wordt beschouwd als een gevaar voor de volksgezondheid. [1] Daarbij beroept verweerder zich op het Europees inreisverbod van 19 maart 2020, wat als doel heeft het indammen van het coronavirus door reisbewegingen te voorkomen en in te perken.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter een voorziening te treffen die inhoudt dat zij Nederland mag inreizen en het besluit op het bezwaar in Nederland mag afwachten. Zij stelt dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij een gevaar is voor de volksgezondheid, onder meer omdat uit een medische verklaring blijkt dat zij geen corona heeft. Verder wijst verzoekster op het doel van haar verblijf, dat zij voldoet aan de voorwaarden voor een visum voor kort verblijf en zij samen met haar jongste dochter op 23 juli 2021 naar Nederland wenst te reizen.
Wat zijn de regels?
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen dat vereist.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verzochte voorziening feitelijk een voorlopig karakter mist, omdat toewijzing tot gevolg heeft dat verzoekster Nederland mag inreizen. Bij een visumprocedure is het aan verweerder om te beoordelen of aan de voorwaarden van de Visumcode is voldaan. Daarbij heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge. [2] Toewijzing van de gevraagde voorziening betekent dat verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld en is alleen aan de orde in gevallen waarin de nadelige gevolgen van de afwijzing van het verzoek in verhouding tot het belang van verweerder bij de handhaving van die afwijzing zó onevenredig zijn, dat het besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht. Zo’n vergaande beslissing is alleen gerechtvaardigd indien een zwaarwegend spoedeisend belang daarom vraagt of er sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit.
6. Anders dan verzoekster betoogt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat van zo’n zwaarwegend spoedeisend belang geen sprake is. Hoewel de voorzieningenrechter de behoefte van verzoekster begrijpt om in deze periode bij haar familie in Nederland te verblijven en om samen met haar jongste dochter naar Nederland te reizen, maken deze omstandigheden niet dat haar verblijf in Nederland op dit moment noodzakelijk is. Niet gebleken is dat verzoekster het besluit op het bezwaar niet kan afwachten. Dat zij een vliegticket heeft geboekt voor een vlucht op 23 juli 2021 geldt in dit verband niet als bijzondere omstandigheid.
7. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat niet gebleken is dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Uit vaste rechtspraak van deze rechtbank volgt dat verweerder een aanvraag voor een visum voor kort verblijf mag afwijzen op grond van het belang van de volksgezondheid in verband met het coronavirus. [3] Het coronavirus is een epidemische ziekte, wat maakt dat reizigers een gevaar vormen voor de volksgezondheid. De aard van het virus, het besmettingsgevaar, de snelle verspreiding van het virus en de op dit moment geldende maatregelen om dit in te dammen, maakt dat verzoekster als reizigster uit het buitenland een bedreiging voor de volksgezondheid vormt. Daarbij merkt verweerder terecht op dat niet gebleken is dat verzoekster behoort tot de categorie mensen voor wie een uitzondering is gemaakt én zij afkomstig is uit Zuid-Afrika, wat is aangemerkt als een ‘zeer hoog risico gebied’.
8. De omstandigheid dat verzoekster geen individueel gevaar voor de volksgezondheid vormt, maakt dit niet anders. Het is niet vereist dat verweerder absoluut zeker weet dat verzoekster persoonlijk de volksgezondheid in gevaar brengt. Dat uit een medische verklaring blijkt dat verzoekster op dat moment geen corona had, brengt de voorzieningenrechter ook niet tot een ander oordeel. Een dergelijke verklaring is een momentopname en sluit niet uit dat verzoekster nadien – zonder dat zij zich hiervan bewust is – het coronavirus kan oplopen en het kan verspreiden.
Conclusie
9. Gelet op het bovenstaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder verzoekster dient te beschouwen als zijnde in het bezit van een visum voor kort verblijf.
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te betalen.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is uitgesproken op 22 juli 2021. De beslissing is partijen telefonisch medegedeeld.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoten

1.Zie artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a en VI, van Verordening EU nr. 810/2009 (de Visumcode).
2.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, Koushkaki tegen Duitsland, C-84/12, ECLI:EU:C:2013:862.
3.Zie onder meer de uitspraken van deze rechtbank van 21 juli 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:3307, zittingsplaats Utrecht) en 6 april 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:3652).