ECLI:NL:RBDHA:2021:8944

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 augustus 2021
Publicatiedatum
17 augustus 2021
Zaaknummer
NL21.5934
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 30 VwArt. 17 DublinverordeningVerordening (EU) 604/2013Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en coronamaatregelen

Eiser, een Malinese nationaliteit bezittende asielzoeker, diende op 11 februari 2021 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat werd aanvaard.

Eiser voerde aan dat overdracht aan Duitsland indirect refoulement kan veroorzaken, mede omdat Duitsland hem eerder aan Italië had geclaimd. Tevens stelde hij dat de coronapandemie bijzondere en individuele omstandigheden schept die een overdracht belemmeren. Verweerder stelde dat de coronapandemie geen bijzondere of individuele omstandigheid vormt en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.

De rechtbank oordeelde dat het risico op indirect refoulement niet aannemelijk is gemaakt. Duitsland draagt de verantwoordelijkheid om het verbod op refoulement te respecteren. De coronapandemie wordt gezien als een tijdelijk en feitelijk overdrachtsbeletsel dat de verantwoordelijkheid van lidstaten niet aantast. Eiser verscheen niet bij het Dublin-gehoor, waardoor hij geen bezwaar kenbaar maakte tegen overdracht.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.5934

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geb. datum] 1993 en de Malinese nationaliteit te bezitten. Hij heeft op 11 februari 2021 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [2] Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [3] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat hij, ondanks het niet verschijnen voor het Dublin-gehoor, bezwaar heeft tegen de overdracht aan Duitsland. Duitsland heeft eiser al eens geclaimd op Italië, dus een overdracht aan Duitsland houdt het risico op indirect refoulement in. Verweerder stelt ten onrechte dat de situatie in Duitsland als gevolg van de coronapandemie geen bijzondere omstandigheid is. Er is sprake van het beperken van de bewegingsvrijheid, een verplichting tot het dragen van mondkapjes, het volraken van de Intensive Care afdelingen en het beperken van mensenrechten. Verweerder stelt ook ten onrechte dat de coronapandemie geen individuele omstandigheid is. Het raakt alle Dublinclaimanten die worden overgedragen aan Duitsland, maar dit betreft een verzameling van individuen die één voor één en elk afzonderlijk het risico op ernstige schade lopen. Verweerder heeft geen invloed op de situatie van asielzoekers die reeds in Duitsland verblijven of eigen onderdanen van Duitsland, dus daar kan verweerder geen argument aan ontlenen. Verweerder handelt in strijd met het EVRM [4] , de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.
5. Dat sprake is van een risico op indirect réfoulement bij overdracht aan Duitsland volgt de rechtbank niet. De garantie dat Duitsland de asielaanvraag van eiser zal behandelen omvat ook de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd is met het verbod van réfoulement. Eiser maakt niet aannemelijk dat er aanleiding bestaat om aan te nemen dat Duitsland deze verplichting niet zal nakomen.
6. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheden die betrekking hebben op de coronapandemie niet bijzonder en individueel zijn. De coronapandemie raakt immers alle Dublinclaimanten die terug moeten naar Duitsland, maar ook asielzoekers die al in Duitsland verblijven en eigen onderdanen van Duitsland. Ook al betreft dit een verzameling van individuen, daarmee zijn deze omstandigheden nog niet voor eiser bijzonder. Daarnaast heeft de Afdeling [5] in de uitspraak van 8 april 2020 [6] geoordeeld dat de coronapandemie een tijdelijk en feitelijk overdrachtsbeletsel is dat de verantwoordelijkheid van de lidstaten niet raakt. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
7. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser geen bezwaar kenbaar heeft gemaakt tegen de overdracht tijdens een gehoor, aangezien eiser tweemaal zonder opgaaf van redenen niet is verschenen voor het aanmeldgehoor Dublin.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening (EU) 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.