De rechter-commissaris ontving een vordering van de officier van justitie om een medewerker van de politie opdracht te geven toegang te verschaffen tot het WhatsApp-account van het slachtoffer en de communicatie veilig te stellen. De communicatie kon niet via WhatsApp zelf worden opgevraagd vanwege end-to-end encryptie en het ontbreken van bewaarde berichten bij WhatsApp. Ook was de telefoon van het slachtoffer niet beschikbaar om gegevens uit te lezen.
De vordering stelde voor toegang te verkrijgen via het Google-account van het slachtoffer, omdat WhatsApp standaard back-ups maakt naar Google Drive. De rechter-commissaris constateerde echter dat niet was aangetoond dat een back-up daadwerkelijk aanwezig was en dat de vordering feitelijk toegang tot Google-gegevens beoogde zonder gebruik te maken van de wettelijke bevoegdheid ex artikel 126ng lid 2 Sv om deze gegevens van Google te vorderen.
Daarnaast riep de voorgestelde methode van toegang via het resetten van het Google-wachtwoord en het afvangen van een verificatie-sms vragen op over de verhouding tot de hackbevoegdheid ex artikel 126nba Sv, die alleen geldt voor geautomatiseerde werken in gebruik bij de verdachte. De vordering bevatte geen nadere toelichting hierop.
Gezien het ontbreken van een onderbouwing waarom de wettelijke bevoegdheid tot het vorderen van gegevens van Google niet is benut, wees de rechter-commissaris de vordering af. Tevens werd bepaald dat de vordering en beschikking niet aan de verdediging worden verstrekt zolang deze niet onherroepelijk is, om het onderzoek niet te doorkruisen.