ECLI:NL:RBDHA:2021:8341
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens geweldsmisdrijf ondanks langdurig verblijf
Eiser, een Somalische nationaliteit, had sinds 2004 een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in tot 21 mei 2017 vanwege een onherroepelijke veroordeling voor poging tot medeplegen van zware mishandeling, een misdrijf met ernstige inbreuk op lichamelijke integriteit zoals bedoeld in artikel 22b Sr.
Eiser voerde aan dat het materiële criterium van ernstige inbreuk niet was voldaan, verwijzend naar een arrest waarin ondanks mishandeling het letsel beperkt was gebleven. De rechtbank oordeelde echter dat de bewezen feiten, waaronder slaan en schoppen van beveiligers die op de grond lagen, wel degelijk een ernstige inbreuk vormden, ongeacht het feit dat zwaar letsel uitbleef.
De rechtbank overwoog verder dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt conform artikel 8 EVRM Pro, waarbij het belang van de openbare orde zwaarder woog dan het privé- en gezinsleven van eiser. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat hij een beschermenswaardig familie- en gezinsleven in Nederland had. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wegens een ernstig geweldsmisdrijf wordt ongegrond verklaard.