ECLI:NL:RBDHA:2021:818
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding met ex-partner
Eiseres ontving sinds 2014 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Verweerder beëindigde de uitkering per 1 juli 2019 en vorderde terugbetaling van ontvangen bijstand over de periode 1 september 2018 tot 30 juni 2019 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar ex-partner [A]. Dit werd gebaseerd op een fraudeonderzoek van de Sociale Recherche, waaruit bleek dat eiseres en [A] samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden.
Eiseres voerde aan dat [A] slechts sporadisch aanwezig was en dat er geen sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. Zij gaf verklaringen over pakketjes, sleutelgebruik en het gebruik van auto's, maar deze werden door verweerder tegengesproken met observaties, pintransacties, woningwaarnemingen en energieverbruik. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende concrete feiten en omstandigheden had verzameld om te concluderen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank stelde vast dat [A] zijn hoofdverblijf had in de woning van eiseres, onder meer door nachtelijke aanwezigheid, sleutelgebruik, postbezorging en het hogere energie- en waterverbruik. De bijstand werd daarom terecht ingetrokken en teruggevorderd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding.