Eiser, geboren in Nederland en houder van de Marokkaanse nationaliteit, diende op 2 april 2019 een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verweerder wees deze aanvragen af omdat eiser niet aan de vereiste voorwaarden voldeed, met name omdat hij niet minimaal vijf jaar aaneengesloten rechtmatig verblijf had en zijn hoofdverblijf buiten Nederland had verplaatst.
De rechtbank oordeelt dat eiser meer dan zes maanden in België verbleef, wat de verplaatsing van zijn hoofdverblijf buiten Nederland betekent. De detentie in België was een gevolg van zijn strafrechtelijke veroordeling en niet buiten zijn schuld gelegen. Hierdoor komt eiser niet in aanmerking voor de uitzondering van artikel 21, vierde lid, van de Vreemdelingenwet.
Verder stelt de rechtbank dat de kan-bepaling in artikel 21, eerste lid, van de Vreemdelingenwet niet zo ver reikt dat kan worden afgeweken van het vereiste rechtmatig verblijf op het moment van de aanvraag. De rechtbank concludeert dat verweerder zich voldoende heeft gemotiveerd en dat het beroep ongegrond is verklaard.
Ten aanzien van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat het horen van eiser in bezwaar niet noodzakelijk was omdat redelijkerwijs geen andersluidend besluit te verwachten was. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.