Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, heeft op 21 oktober 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het doel ‘arbeid als zelfstandige’. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de vereisten, waaronder het ontbreken van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en een onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan.
Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd eveneens ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank. Tijdens de zitting, die via Skype plaatsvond, werd het standpunt van verweerder bevestigd dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat zijn onderneming een wezenlijk Nederlands belang dient en dat het ondernemingsplan niet voldeed aan de gestelde eisen.
De rechtbank oordeelde dat de documentatievereisten van verweerder niet in strijd zijn met de standstill-bepaling en dat eiser niet heeft aangetoond dat er reden was om van deze eisen af te wijken. Het beroep werd ongegrond verklaard omdat eiser geen aanvullende stukken had overgelegd en zijn onderneming niet was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.