Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam 1], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Tunesische nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier verblijf als familie- of gezinslid, die werd ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 16 januari 2020 nadat was vastgesteld dat de samenwoning met zijn ex-echtgenote was beëindigd.
Eiser voerde aan dat de intrekking in strijd was met zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven (artikel 8 EVRM Pro) en stelde dat hij onmisbaar was voor zijn werkgever en dat terugkeer naar Tunesië vanwege de Covid-19-pandemie onredelijk was. Ook betwistte hij de terugwerkende kracht van de intrekking.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet langer voldeed aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning en dat de intrekking zorgvuldig was afgewogen tegen het belang van de Nederlandse staat. De terugwerkende kracht was geoorloofd en er was geen sprake van een schending van het privéleven. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ongegrond verklaard.