ECLI:NL:RBDHA:2021:7110
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd over minderjarige wegens langdurige uithuisplaatsing
De rechtbank Den Haag behandelde op 15 juni 2021 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige, die sinds haar vierde levensweek in een pleeggezin verblijft. De moeder is belast met het gezag, maar vanwege ernstige bedreigingen voor de ontwikkeling van het kind, waaronder huiselijk geweld en verslavingsproblematiek van de vader, werd de minderjarige onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst.
De moeder heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt en verblijft momenteel in een leefgroep en het Babyhuis, maar het perspectief van de minderjarige ligt volgens de rechtbank in het pleeggezin waar zij gehecht is. Terugplaatsing zou een hechtingsbreuk veroorzaken die schadelijk is voor haar ontwikkeling. De rechtbank oordeelt dat de aanvaardbare termijn waarbinnen onzekerheid over het opgroeiperspectief kan bestaan, ruimschoots is verstreken.
De rechtbank wijst het verzoek van de moeder tot contra-expertise af omdat een dergelijk onderzoek geen toegevoegde waarde heeft en de continuïteit voor de minderjarige zwaarder weegt. De rechtbank beëindigt het gezag van de moeder en benoemt de William Schrikker Stichting tot voogd, waarbij de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.
Uitkomst: Het gezag van de moeder wordt beëindigd en een gecertificeerde instelling wordt benoemd tot voogd over de minderjarige.