ECLI:NL:RBDHA:2021:6991
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht derdelander afhankelijk van meerderjarige Unieburger dochters
Eiseres, een Marokkaanse vrouw, verzocht om afgeleid verblijfsrecht in Nederland op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU), omdat zij afhankelijk zou zijn van haar meerderjarige dochters die de Nederlandse nationaliteit bezitten. Verweerder wees haar aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelt dat het arrest K.A. van het Hof van Justitie EU ook situaties kan omvatten waarin de derdelander afhankelijk is van meerderjarige Unieburger familieleden, maar dat eiseres deze afhankelijkheid onvoldoende heeft onderbouwd.
De rechtbank stelt vast dat eiseres weliswaar zorg nodig heeft en deze door haar dochters wordt geboden, maar dat niet is aangetoond dat deze zorg niet door anderen in Nederland of Marokko kan worden verleend. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de zorg in Marokko ontbreekt, ondanks de medische stukken en rapporten die eiseres overlegt. Het feit dat haar dochters tot curator zijn benoemd, rechtvaardigt geen afgeleid verblijfsrecht. Daarnaast is het horen van eiseres en haar dochters in bezwaar niet vereist omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt verweerder in de proceskosten. Eiseres wordt gewezen op de mogelijkheid een aanvraag op grond van artikel 8 EVRM Pro in te dienen. De uitspraak is gedaan door rechter F.A. Groeneveld en griffier J.G. Bos op 28 juni 2021 in Rotterdam.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de vereiste afhankelijkheidsrelatie niet aannemelijk is gemaakt.