ECLI:NL:RBDHA:2021:6744
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen Wav-boete wegens ontbreken spoedeisend belang
De vennootschap naar buitenlands recht heeft tegen een boete van €283.000,- wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. De boete is opgelegd door de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake was van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
Verzoekster stelde dat betaling van de boete zou leiden tot onomkeerbare financiële gevolgen, mede door de coronacrisis, en dat de betalingsverplichting geschorst moest worden vanwege de onrechtmatigheid van het primaire besluit. Uit de overgelegde financiële stukken bleek echter geen acute financiële noodsituatie die een uitzondering op de hoofdregel rechtvaardigt dat een financieel belang geen spoedeisend belang vormt.
Daarnaast wees de rechter erop dat verzoekster niet had gebruikgemaakt van de mogelijkheden tot een betalingsregeling of een beroep op verminderde financiële draagkracht, ondanks dat zij hierop was gewezen. De staatssecretaris bood op basis van het beleid een betalingsregeling aan met een looptijd van 24 maanden vanwege de coronacrisis.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het spoedeisend belang ontbrak en dat geen noodzaak bestond om de rechtmatigheid van het primaire besluit in deze voorlopige voorziening te toetsen. Het verzoek werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de Wav-boete wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.