ECLI:NL:RBDHA:2021:6084
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing mvv-aanvraag minderjarige kinderen wegens onvoldoende onderzoek identiteit en gezinsband
De zaak betreft een beroep tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor twee minderjarige kinderen die bij hun vader, de referent, in Nederland willen verblijven. De moeder van de kinderen heeft een eerdere aanvraag afgewezen gekregen en het beroep van haar is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de belangen van de kinderen onvoldoende zijn betrokken bij de beoordeling van hun aanvraag.
Verweerder heeft de aanvraag van de kinderen afgewezen omdat hun identiteit en familierechtelijke relatie met de referent en de moeder niet aannemelijk zijn gemaakt. Verweerder zag geen aanleiding tot nader onderzoek, mede omdat de identiteit van de moeder niet was vastgesteld. Eisers stelden dat er voldoende bewijs was en dat nader onderzoek, zoals DNA-onderzoek, noodzakelijk was om de gezinsband vast te stellen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen en dat nader onderzoek noodzakelijk is. DNA-onderzoek kan de biologische gezinsband vaststellen, wat essentieel is voor een zorgvuldige beoordeling. Ook voor het stiefkind moet nader onderzoek plaatsvinden, waarbij de belangen van het gezin in samenhang moeten worden bekeken.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, waaronder het uitvoeren van DNA-onderzoek. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten en vergoedt het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag van de minderjarige kinderen wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met nader DNA-onderzoek.