Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, werkzaam bij de politie sinds 1991, werd geweigerd en zijn eerder verleende verklaring van geen bezwaar (vgb) ingetrokken voor een vertrouwensfunctie vanwege het ongeoorloofd raadplegen van politiesystemen voor privédoeleinden. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties oordeelde dat eiser onvoldoende waarborgen bood dat hij zijn plichten getrouwelijk zou vervullen, mede gelet op de integriteitseisen uit de Wet veiligheidsonderzoeken en de Leidraad persoonlijke gedragingen.
Eiser voerde aan dat hij terughoudend en doelmatig had gehandeld en dat zijn raadplegingen in overeenstemming waren met de politiepraktijk, maar de rechtbank oordeelde dat hij zonder noodzakelijke dienstbelangen en zonder overleg met zijn leidinggevende politiesystemen had geraadpleegd, wat een schending van professionele integriteit vormt. De rechtbank verwierp ook het betoog dat de maatregel disproportioneel was, omdat het belang van nationale veiligheid zwaarder woog dan het persoonlijk belang van eiser.
De rechtbank concludeerde dat de minister de vgb in redelijkheid mocht weigeren en intrekken, en dat eiser onvoldoende waarborgen bood voor een integere vervulling van de vertrouwensfunctie. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering en intrekking van de verklaring van geen bezwaar.