ECLI:NL:RBDHA:2021:5344
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek staatloze Palestijn wegens onvoldoende bescherming UNRWA en geen gegronde vrees vervolging
Eiser, een staatloze Palestijn, diende op 24 januari 2021 een asielaanvraag in Nederland in. Hij verbleef voorafgaand in Libië, waar hij mishandeld werd en uitgescholden vanwege zijn afkomst, en zijn familie verblijft zonder verblijfsvergunning in Egypte. Verweerder wees de aanvraag af, stellende dat eiser niet onder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag valt, omdat hij geen daadwerkelijke bescherming van UNRWA ontving en Libië als zijn gebruikelijke verblijfplaats geldt.
Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende onderzoek deed naar zijn bescherming door UNRWA en dat Libië ten onrechte als gebruikelijke verblijfplaats werd aangemerkt. Ook stelde hij dat hij als staatloze Palestijn een risicogroep vormt met gegronde vrees voor vervolging. De rechtbank oordeelde dat eiser niet heeft aangetoond daadwerkelijk bescherming van UNRWA te hebben ontvangen en dat Libië terecht als gebruikelijke verblijfplaats is aangemerkt, ondanks het ontbreken van een verblijfsvergunning.
Verder concludeerde de rechtbank dat de problemen die eiser ondervond onvoldoende zijn om gegronde vrees voor vervolging aan te nemen, omdat mishandelingen niet specifiek gericht waren op hem als Palestijn en toekomstige risico's onvoldoende concreet zijn gemaakt. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn asielaanvraag bevestigd.