ECLI:NL:RBDHA:2021:4792
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot erkenning en tenuitvoerlegging Pools vonnis in Nederland
Eiser, met de Poolse nationaliteit, is in Polen veroordeeld tot een gevangenisstraf en verzocht Nederland om de tenuitvoerlegging van deze straf over te nemen. De minister voor Rechtsbescherming weigerde dit omdat eiser niet voldeed aan de beleidsmatige eis van minimaal vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland, zoals vereist voor een aantoonbare en voldoende binding conform de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS).
Eiser betoogde dat hij al sinds 2009 in Nederland woont en dat de minister onjuiste feiten hanteert, en voerde tevens aan dat tenuitvoerlegging in Polen een onrechtmatige inbreuk vormt op zijn familie- en kinderrechten. De rechtbank oordeelde dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid terughoudend moet toetsen en dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij aan de bindingseis voldoet, mede omdat hij zich tussen 2013 en 2019 bewust aan de tenuitvoerlegging heeft onttrokken.
De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging, inclusief de bescherming van het familieleven en kinderrechten, niet tot een andere uitkomst leidt. De vordering van eiser wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot erkenning en tenuitvoerlegging van het Poolse vonnis wordt afgewezen wegens onvoldoende binding met Nederland.