Eiser, geboren in 1987 in Marokko en houder van de Nederlandse nationaliteit, werd op 4 mei 2020 het Nederlanderschap ontnomen en tot ongewenst vreemdeling verklaard omdat hij zich had aangesloten bij een terroristische organisatie die deelneemt aan een internationaal gewapend conflict. De besluiten zijn gebaseerd op een ambtsbericht van de AIVD waarin staat dat eiser tussen 2017 en 2019 in Syrië verbleef in gebieden beheerst door Hay'at Tahrir al-Sham en deelnam aan een militair kamp van een jihadistische groepering.
De gemachtigde van eiser voerde aan dat eiser humanitaire motieven had en niet betrokken was bij jihadistische activiteiten, maar de rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende onderbouwd waren. De rechtbank vond het ambtsbericht voldoende concreet en feitelijk en stelde vast dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Verweerder was bevoegd tot intrekking van het Nederlanderschap en ongewenstverklaring.
Verzoeken om aanhouding van de behandeling werden afgewezen omdat eiser in detentie in Turkije verblijft en geen concrete mogelijkheid was geboden voor zijn aanwezigheid bij de zitting. De rechtbank verwierp ook de stellingen over discriminatie en willekeur en concludeerde dat de maatregel proportioneel en rechtmatig is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.