De Staat der Nederlanden organiseerde een Europese openbare aanbestedingsprocedure voor Hosting en Infrastructuur Componenten 2.0, waarbij PQR als winnende inschrijver werd aangewezen. Computacenter en SLTN stelden dat de aanbestedingsprocedure gebrekkig was vanwege vermeende schendingen van het transparantie- en gelijkheidsbeginsel, met name met betrekking tot de anonimiteit van inschrijvingen en de samenstelling van het beoordelingsteam.
De rechtbank oordeelde dat het knock-out criterium omtrent anonimiteit niet ondubbelzinnig voorschreef dat ook de metadata van digitale documenten geanonimiseerd moesten worden, waardoor geen sprake was van onvoldoende transparantie. De ongeldigverklaring van SLTN wegens vermelding van bedrijfsnaam was terecht en niet willekeurig. Hoewel de Staat onjuiste mededelingen deed over de anonimiteit van de beoordeling en beoordelaars eerdere beoordelingen raadpleegden, rechtvaardigde dit geen heraanbesteding.
De motivering van het gunningsvoornemen van 2 februari 2021 voldeed aan de wettelijke eisen en een gebrekkige motivering zou hooguit leiden tot herbeoordeling, niet tot heraanbesteding. De vorderingen van Computacenter werden daarom afgewezen, en zij werden veroordeeld in de proceskosten van de Staat en PQR.