ECLI:NL:RBDHA:2021:3791
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige afvalligheid en bekering tot christendom
Eiser, van Iraanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, maar deze werd door de staatssecretaris afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat eiser onvoldoende consistent en geloofwaardig had verklaard over zijn afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom.
De rechtbank stelde vast dat eiser tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen had afgelegd over zijn religieuze overtuigingen en het proces van bekering. Ook ontbraken overtuigende documenten ter onderbouwing van zijn verhaal. Daarnaast werd niet geloofd dat eiser in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten zou staan, mede omdat hij legaal en zonder problemen Iran had verlaten.
De rechtbank concludeerde dat de asielaanvraag terecht was afgewezen als kennelijk ongegrond en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.