Uitspraak
Rechtbank den haag
Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca en Aanverwante Bedrijf “Horeca Nederland”te Woerden,
Rechtbank Den Haag
Koninklijke Horeca Nederland (KHN) vorderde dat de Staat binnen veertien dagen hogere voorschotten en binnen acht weken definitieve subsidies zou betalen aan horecaondernemers op grond van de aangepaste TVL-regeling. De horecasector was vanwege COVID-19 grotendeels gesloten en de overheid had steunmaatregelen getroffen, waaronder de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). KHN stelde dat de Staat onrechtmatig handelt door alleen voorschotten op basis van de oude regeling te betalen en dat dit leidt tot onaanvaardbare financiële gevolgen voor ondernemers.
De rechtbank oordeelde dat KHN niet opkomt voor een eigen belang, maar voor een collectief belang van individuele horecaondernemers. Volgens vaste jurisprudentie kunnen individuele belangen alleen via de bestuursrechter worden beschermd, niet via de civiele rechter. De rechtbank wees erop dat horecaondernemers bezwaar en beroep kunnen instellen tegen besluiten van RVO en dat voorlopige voorzieningen mogelijk zijn bij de bestuursrechter.
De rechtbank verklaarde KHN daarom niet-ontvankelijk in haar vorderingen en wees de zaak af. KHN werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis benadrukt de vaste taakverdeling tussen bestuurs- en civiele rechter, ook in tijden van grote tegenslagen voor ondernemers.
Uitkomst: KHN wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tot betaling van hogere TVL-subsidies en veroordeeld in de proceskosten.