Privacy First vorderde in kort geding de buitenwerkingstelling van de Nederlandse wetgeving die de registratie en (deels) openbare toegankelijkheid van UBO-gegevens regelt, gebaseerd op de vierde en vijfde anti-witwasrichtlijn (AMLD4 en AMLD5). Zij stelde dat deze wetgeving inbreuk maakt op grondrechten zoals privacy en gegevensbescherming, en dat prejudiciële vragen aan het HvJEU gesteld moeten worden over de verenigbaarheid met het Handvest en de AVG.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse wetgeving een directe implementatie is van AMLD4 en AMLD5, en dat het oordeel over de rechtmatigheid van deze Europese richtlijnen exclusief aan het HvJEU toekomt. De vorderingen tot buitenwerkingstelling zijn daarom niet toewijsbaar. Wel erkende de rechtbank dat er twijfel kan bestaan over het (deels) openbare karakter van het UBO-register, mede vanwege een kritisch advies van de European Data Protection Supervisor, maar stelde dat prejudiciële vragen hierover niet door de Nederlandse rechter hoeven te worden gesteld omdat een soortgelijke procedure al loopt in Luxemburg.
De rechtbank verwierp ook het betoog van Privacy First over het ontbreken van een spoedeisend belang niet, maar vond de overige gronden onvoldoende onderbouwd. Privacy First werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis bevestigt de noodzaak van het UBO-register voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en benadrukt het voorrecht van het HvJEU bij toetsing van Europese richtlijnen.