Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
Noodzakelijkheid
Proportionaliteit en evenredigheid
Subsidiariteit
Rechtbank Den Haag
INretail vorderde in kort geding dat de Staat de ministeriële regeling van 2 maart 2021, die de sluiting van niet-essentiële detailhandel verlengt, buiten werking stelt of versoepelt. De vordering was gebaseerd op het betoog dat de Staat geen deugdelijke noodzakelijkheids-, proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging had gemaakt en dat de maatregel onrechtmatig was vanwege schending van grondrechten en EU-recht.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de Staat een ruime beoordelingsruimte toekomt bij coronamaatregelen en dat de rechter zich terughoudend moet opstellen. De adviezen van het Outbreak Management Team (OMT) en de politieke afwegingen zijn doorslaggevend. Uit de stukken en Kamerbrieven bleek dat het kabinet wel degelijk een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, mede op basis van OMT-adviezen.
De rechter concludeerde dat de sluiting van de niet-essentiële detailhandel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is gezien de epidemiologische situatie met de Britse variant en de hoge zorgbelasting. De door INretail aangevoerde vergelijkingen met eerdere periodes en andere landen waren onvoldoende onderbouwd. Ook de voorwaarden voor click en collect en winkelen op afspraak zijn niet onredelijk. De vordering werd daarom afgewezen en INretail werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot opheffing of versoepeling sluiting niet-essentiële detailhandel wordt afgewezen; INretail veroordeeld in proceskosten.