ECLI:NL:RBDHA:2021:16875
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening en proceskostenveroordeling in terugkeerverplichting Hongarije
Verzoeker ontving op 23 juli 2021 een bevel om onmiddellijk terug te keren naar Hongarije, waartegen hij bezwaar maakte. Vervolgens verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Het bezwaar werd op 24 september 2021 kennelijk ongegrond verklaard door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Op 14 oktober 2021 informeerde verweerder dat de termijn voor het instellen van beroep was gestart en dat het verzoek om voorlopige voorziening niet meer aan het connexiteitsvereiste voldeed, waardoor het niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Verzoeker trok daarop op 9 november 2021 het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om veroordeling van verweerder in de proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat het bezwaar ongegrond was verklaard en het bestuursorgaan geen onrechtmatigheid had erkend. Daarom werd het verzoek tot proceskostenveroordeling afgewezen. De uitspraak werd gedaan op 29 november 2021 door voorzieningenrechter J.G. Nicholson.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening en het verzoek tot proceskostenveroordeling worden afgewezen.