ECLI:NL:RBDHA:2021:16784

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2021
Publicatiedatum
29 juli 2022
Zaaknummer
AWB 20/5180
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 2 lid 21 SchengengrenscodeArt. 7:3 AwbArt. 84 onder b VwVerordening (EG) nr. 810/2009
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens bedreiging volksgezondheid door coronavirus

Eiser, een Indiase staatsburger, heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd met als doel familiebezoek. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij aan de voorwaarden voldeed en niet voldoende kon aantonen tijdig terug te keren naar India.

In het bestreden besluit werd het bezwaar van eiser ongegrond verklaard omdat hij werd beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid in verband met de uitbraak van het coronavirus. Dit was gebaseerd op artikel 32, eerste lid, sub a, onder vi, van de Visumcode en de Schengengrenscode, mede vanwege het Europese inreisverbod dat sinds 19 maart 2020 gold.

Eiser stelde dat hij onzorgvuldig was behandeld omdat hij niet was gehoord tijdens de bezwaarprocedure. De rechtbank oordeelde dat horen achterwege kon blijven omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was; er was geen redelijke twijfel dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden. Eiser viel niet onder de uitzonderingscategorieën van het inreisverbod.

De rechtbank bevestigde het oordeel van de meervoudige kamer en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege bedreiging van de volksgezondheid door COVID-19.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/5180

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2021 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C.N. Noordzee),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 16 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 10 februari 2021 heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld om te reageren op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 19 januari 2021 [1] .
Eiser heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft de rechtbank verzocht om het beroep schriftelijk af te doen. Verweerder heeft daarmee ingestemd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Indiase nationaliteit. Hij heeft een visum aangevraagd voor verblijf bij [A] (de referent). Het doel van de visumaanvraag is familiebezoek.
Het primaire en bestreden besluit
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser in het primaire besluit afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, sub a, onder ii en sub b, van de Visumcode [2] . Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en dat hij zijn voornemen om tijdig terug te keren naar India onvoldoende heeft aangetoond.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering van het visum kennelijk ongegrond verklaard, omdat hij wordt beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid zoals omschreven in artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode, vanwege de uitbraak van het coronavirus. Verweerder geeft hiermee toepassing aan artikel 32, eerste lid, aanhef en sub a, onder vi, van de Visumcode. Verweerder heeft deze grondslag gebruikt omdat de Nederlandse overheid verschillende maatregelen heeft genomen om verdere verspreiding van het coronavirus te voorkomen. Zo heeft de Nederlandse overheid besloten vanaf 19 maart 2020 de grenzen te sluiten voor burgers van buiten de Europese Unie. Eiser wordt door verweerder niet aangemerkt als een reiziger met een essentiële functie of aan wiens aanwezigheid een wezenlijk belang wordt gehecht. Verweerder is in het bestreden besluit niet meer ingegaan op de weigeringsgronden die in het primaire besluit zijn gebruikt en de bezwaargronden die daartegen zijn aangevoerd.
Uitspraak meervoudige kamer
4. Eiser is voor de zitting in de gelegenheid gesteld een reactie uit te brengen over de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, van
19 januari 2021 [3] . In deze zaak heeft verweerder ook het bezwaar tegen de weigering van een visumaanvraag kennelijk ongegrond verklaard omdat de eiser in die zaak werd beschouwd als een bedreiging voor de volksgezondheid zoals omschreven in artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode, vanwege de uitbraak van het coronavirus. De rechtbank heeft hierover geoordeeld dat verweerder het gevraagde visum op grond van artikel 32, eerste lid, sub a onder vi, van de Visumcode heeft kunnen weigeren.
Standpunt eiser
5. Naar aanleiding van de hierboven genoemde uitspraak heeft eiser aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig tot zijn besluit is gekomen door eiser niet te horen in bezwaar. Eiser heeft hierbij gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 30 oktober 2020 [4] .
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Daarvan is sprake als er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Die situatie doet zich in dit geval voor. Er is sprake van het toepassen van de dwingende weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, aanhef en sub a, onder vi, van de Visumcode. Verweerder beschikte over alle relevante feiten om die weigeringsgrond toe te passen. Er was sprake van een gevaar voor de volksgezondheid zoals bedoeld in artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode en er was een Europees inreisverbod als gevolg van de uitbraak van het coronavirus. Uit de aanvraag voor het visum en het bezwaarschrift was verder duidelijk dat eiser geen reiziger met een essentiële functie was en dat er evenmin concrete aanknopingspunten waren dat eiser onder één van de uitzonderingscategorieën van het Europese inreisverbod zou kunnen vallen. Een feitelijke toelichting door eiser tijdens een gehoor zou gelet op de gegevens in het visumdossier dan ook niet tot een andersluidend besluit hebben geleid. Verweerder heeft terecht geen aanleiding gezien om eiser te horen in bezwaar. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen dan de meervoudige kamer van deze zittingsplaats in de uitspraak van 19 januari 2021. Daarbij wordt nog overwogen dat ook tijdens de beroepsfase niet is gebleken dat eiser wel onder één van de uitzonderingscategorieën zou vallen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd deze de rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, onder b, van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.

Voetnoten

2.Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
3.Zie voetnoot 1.