Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[verzoeker](verzoeker), samen genoemd: verzoekers
Rechtbank Den Haag
Verzoekers, een moeder en haar zoon, verblijven sinds 2015 in Nederland en hun asielaanvragen zijn afgewezen. Zij vroegen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege hun medische situatie. Het Bureau Medische Advisering (BMA) bracht advies uit waarin werd vastgesteld dat er geen medische noodsituatie op korte termijn is bij het uitblijven van behandeling en dat verzoekers in staat zijn te reizen.
De moeder heeft psychische klachten zoals een depressieve stoornis en PTSS, waarvoor zij behandeling ontvangt. De zoon heeft doofheid en taalontwikkelingsproblemen en volgt gespecialiseerde begeleiding. Het BMA adviseerde dat zij hun medische behandeling kunnen voortzetten tijdens de reis en dat de zoon begeleiding nodig heeft.
Verweerder wees de aanvragen af op basis van het BMA-advies. Verzoekers voerden aan dat terugkeer leidt tot ernstige medische en ontwikkelingsproblemen, en dat verweerder onvoldoende onderzoek deed naar de situatie in het land van herkomst, waarbij ook rechten van het kind werden betrokken.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het BMA-advies objectief en onpartijdig is en dat er geen concrete aanwijzingen zijn die het advies weerleggen. De verwijzing naar kinderrechten en omstandigheden in het land van herkomst verandert dit niet. Daarom is er geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro en is het verzoek om uitstel van vertrek niet toewijsbaar.
Uitkomst: Het verzoek om uitstel van vertrek wordt afgewezen omdat geen medische noodsituatie op korte termijn is vastgesteld en verzoekers in staat zijn te reizen.