ECLI:NL:RBDHA:2021:16604
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vaststelling geen rechtmatig verblijf op grond van Unierecht
Eiser, van Poolse nationaliteit, werd bij besluit van 3 augustus 2020 vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van het Unierecht, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijf langer dan drie maanden. Na bezwaar verklaarde verweerder dit bezwaar ongegrond, waarna eiser beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening verzocht.
De rechtbank verleende eiser vrijstelling van griffierecht vanwege betalingsonmacht. Eiser voerde aan dat het onderzoek naar zijn verblijf onterecht was gestart en dat hij wel aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf voldoet, onder meer omdat hij actief werk zoekt en een reële kans op werk heeft. Verweerder stelde dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12, eerste lid, Vreemdelingenbesluit, omdat hij geen voldoende middelen van bestaan heeft en geen ziektekostenverzekering.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek terecht was gestart vanwege redelijke twijfel over het rechtmatig verblijf, niet vanwege een gevaar voor de openbare orde. De rechtbank vond de stellingen van eiser onvoldoende onderbouwd om de conclusie van verweerder te weerleggen. Ook de belangenafweging van verweerder werd als zorgvuldig en juist beoordeeld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het besluit dat hij geen rechtmatig verblijf heeft wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.