ECLI:NL:RBDHA:2021:16598

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 oktober 2021
Publicatiedatum
14 juli 2022
Zaaknummer
NL21.15593
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 22 AmbtsinstructieArt. 94 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens onrechtmatig gebruik handboeien

Eiser, een Poolse vreemdeling die ongewenst is verklaard sinds 2017, werd op 3 oktober 2021 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde aan dat het gebruik van handboeien onrechtmatig was omdat er geen sprake was van vluchtgevaar of gevaar voor veiligheid zoals vereist in de Ambtsinstructie.

De rechtbank oordeelde dat het proces-verbaal van ophouding geen aanwijzingen gaf voor vluchtgevaar of gevaar voor veiligheid, wat een onrechtmatigheid in het voortraject betekende. Echter, gelet op de jurisprudentie en de zwaarwegende belangen van verweerder, waaronder eerdere uitzetting en terugkeer van eiser, was deze onrechtmatigheid niet voldoende om de bewaring onrechtmatig te verklaren.

Daarnaast werd het beroep verworpen omdat verweerder voldoende voortvarend handelde in de verwijderingsprocedure, met een vluchtaanvraag op 5 oktober 2021 en een geplande uitzetting op 12 oktober 2021. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.15593
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.Z.A.M. Skanderova), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Verweerder heeft op 3 oktober 2021 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 oktober 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw M.A. Rauwerda. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1979.
2. Eiser is ongewenst verklaard op 15 februari 2017. Dit staat in rechte vast.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op
vreemdelingen heeft onttrokken;
1. artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb )
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Vw of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw;
en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. Hij heeft in beroep aangevoerd dat er onrechtmatig gebruik is gemaakt van handboeien. Er is volgens eiser geen sprake geweest van vluchtgevaar of gevaar voor de veiligheid of het leven van eiser, van de ambtenaar of van derden, zoals bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Ambtsinstructie. Eiser is daarom van mening dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Daarnaast voert hij aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering naar Polen.
Handboeien
5. De rechtbank overweegt als volgt. Het proces verbaal van ophouding (M105-A) geeft de volgende reden voor het gebruik van handboeien bij het transport van eiser: “
omdat betrokkene werd staande gehouden naar aanleiding van een huiselijk geweld melding waar hij betrokken bij was”. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hier niet uit dat er sprake is geweest van vluchtgevaar of gevaar voor de veiligheid of het leven van eiser, van de ambtenaar of van derden, zoals bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Ambtsinstructie. Dit geeft een onrechtmatigheid in het voortraject van de inbewaringstelling. Volgens vaste jurisprudentie maakt het niet naleven van artikel 22 van Pro de Ambtsinstructie, gelet op artikel 94, zesde lid, van de Vw, de oplegging van de maatregel alleen dan onrechtmatig, indien de met de inbewaringstelling gemoeide belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daarmee geschonden belangen.3
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit verband terecht aangevoerd dat het gebrek in het voortraject de maatregel van bewaring niet onrechtmatig maakt. Eiser is ongewenst verklaard en hij is al eerder in bewaring gesteld op 11 oktober 2019. Hij is toen uitgezet naar Polen, maar hij is weer teruggekeerd naar Nederland. De rechtbank oordeelt dat verweerder hiermee voldoende zwaarwegende belangen heeft gesteld die opwegen tegen het geconstateerde gebrek. Dat eiser – beweerdelijk – onderweg was naar België maakt het voorgaande niet anders.
Voortvarend handelen
7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Eiser is op 3 oktober 2021 in bewaring gesteld, verweerder heeft op 5 oktober 2021 een vlucht aangevraagd en de uitzetting staat gepland voor 12 oktober 2021. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2 artikel 5.1b, vierde lid, Vb
3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:205.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr.
M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
15 oktober 2021
en is openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. J.G. Nicholson M.A.W.M. Engels
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden
ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.