ECLI:NL:RBDHA:2021:16302
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Inreisverbod Turkse zelfstandige niet in strijd met Aanvullend Protocol en Associatieovereenkomst
Eiser, een Turkse zelfstandige, kreeg op 15 januari 2021 een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid omdat hij niet had voldaan aan een eerder opgelegd terugkeerbesluit. Eiser had eerder meerdere aanvragen gedaan voor verblijf als zelfstandige, die waren afgewezen.
Eiser stelde dat het inreisverbod onterecht was omdat hij geen ernstige bedreiging vormde voor de openbare orde en nationale veiligheid, en dat het inreisverbod een verboden nieuwe beperking zou vormen op grond van artikel 41 van Pro het Aanvullend Protocol en artikel 9 van Pro de Associatieovereenkomst. De rechtbank oordeelde dat het inreisverbod rechtmatig was opgelegd op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet en dat het niet in strijd was met genoemde internationale bepalingen.
Verder verwierp de rechtbank het verweer dat het inreisverbod in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Het inreisverbod werd niet gezien als een sanctiemaatregel en de belangen van eiser waren voldoende meegewogen. Omdat eiser niet had aangetoond dat hij daadwerkelijk uit Nederland was vertrokken, ging de rechtbank uit van zijn verblijf in Nederland ten tijde van het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.