ECLI:NL:RBDHA:2021:16145
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens hoofdverblijf buiten Nederland
Eiser had sinds 2012 een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor niet tijdelijke humanitaire gronden, geldig tot 2017. Verweerder trok deze vergunning in met terugwerkende kracht vanaf 2014 omdat eiser sinds die datum niet meer in Nederland stond ingeschreven en zijn hoofdverblijf feitelijk in Frankrijk had gevestigd, waar hij ook een drugsdelict beging en gevangen zat van 2015 tot 2018.
Eiser betoogde dat hij zich nooit zelf had uitgeschreven en dat zijn verblijf in Frankrijk niet vrijwillig was, maar de rechtbank stelde vast dat eiser zelf had verklaard in 2014 vrijwillig naar Frankrijk te zijn vertrokken, daar te hebben gewerkt en gewoond. De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat eiser langer dan zes maanden buiten Nederland verbleef en zijn hoofdverblijf had verplaatst.
Verder onderzocht de rechtbank of de intrekking een inmenging in het familie- of gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro betekende. Gezien het beperkte contact met zijn meerderjarige dochters, die sinds 2005 niet meer in gezinsverband samenwoonden, was er geen meer dan normale emotionele band. Daarom was er geen beschermenswaardig familie- of gezinsleven dat inmenging zou verbieden.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht heeft gehandeld en dat het beroep ongegrond is. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.