Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2021 in de zaak tussen
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Hoorplicht
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Braziliaanse nationaliteit, verzocht op 13 november 2019 om een verblijfsvergunning regulier als partner van zijn vriendin (referente) in Nederland. Dit verzoek werd op 30 april 2020 afgewezen vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Na een bezwaarprocedure waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
Eiser voerde aan dat hij vrijstelling van het mvv-vereiste zou moeten krijgen vanwege zijn asielsituatie en de COVID-19 situatie in Brazilië, alsmede op grond van de hardheidsclausule. De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de vrijstellingsgronden en dat verweerder terecht het middelenvereiste hanteerde. Het inkomen van eiser en referente was onvoldoende om aan het normbedrag te voldoen.
De rechtbank overwoog dat verweerder in redelijkheid tot zijn beslissing kon komen en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiser uitviel, mede omdat er geen objectieve belemmeringen zijn om het familieleven in Brazilië voort te zetten en eiser en referente naar verwachting binnen afzienbare tijd aan de voorwaarden kunnen voldoen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens schending van de hoorplicht, vernietigde het bestreden besluit en het aanvullend besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en aanvullend besluit worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.