ECLI:NL:RBDHA:2021:16045

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juli 2021
Publicatiedatum
5 april 2022
Zaaknummer
AWB 20/8290
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken procesbelang in nareiszaak

Verzoeker, van Iraanse nationaliteit, diende een verzoek om een voorlopige voorziening in om op korte termijn gehoord te worden voor zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, had op 12 oktober 2020 laten weten dat er voorlopig geen interviews mogelijk waren in Iran.

Later heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat verzoeker op 8 december 2020 in Istanbul is gehoord, waarmee aan het verzoek is voldaan. Verzoeker stemde hiermee in en erkende dat het procesbelang van het verzoek was komen te vervallen.

De voorzieningenrechter concludeerde daarom dat het verzoek niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van procesbelang. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 5 juli 2021 en is niet vatbaar voor beroep of hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/8290
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] ,geboren op [geboortedatum] 1999, van de Iraanse nationaliteit, verzoeker
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. P.W.M. Jans).

Procesverloop

Verweerder heeft verzoeker op 12 oktober 2020 laten weten dat er voor nareiszaken voorlopig geen interviews mogelijk zijn in Iran.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen deze feitelijke handeling [1] en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 21 juni 2021 een schriftelijke reactie ingediend. Verzoeker heeft hier de volgende dag op gereageerd.
Partijen hebben de voorzieningenrechter mondeling toestemming gegeven om op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak buiten zitting af te doen.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ingediend met als doel om op korte termijn te worden gehoord voor zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis.
2. Bij brief van 21 juni 2021 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat verzoeker op 8 december 2020 in Istanbul is gehoord. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde en stelt zich daarom op het standpunt dat het belang voor de gevraagde voorziening is komen te vervallen.
3. Verzoeker heeft aangegeven dat hij het eens is met het standpunt van verweerder en dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
4. Gelet op het voorgaande, concludeert de voorzieningenrechter dat het verzoek niet-ontvankelijk is. Verzoeker heeft namelijk geen procesbelang. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier. De beslissing is uitgesproken op 5 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De rechter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met een besluit gelijk is gesteld.