ECLI:NL:RBDHA:2021:15895
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake vrijstelling mvv-vereiste op grond van artikel 8 EVRM
Verzoeker, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon zonder rechtmatig verblijf in Nederland sinds januari 2018, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als familielid van zijn partner met de Nederlandse nationaliteit. Deze aanvraag werd afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het ontbreken van een vrijstellingsgrond.
Verzoeker stelde dat het terugkeren naar Nigeria om de mvv-procedure te doorlopen onbillijk zou zijn en dat er bijzondere omstandigheden zijn, zoals zijn gezondheid en de situatie van zijn partner, die vrijstelling rechtvaardigen. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende onderbouwing leverde voor deze stellingen en dat verweerder het besluit voldoende gemotiveerd heeft genomen.
De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro werd door verweerder terecht in het nadeel van verzoeker en zijn partner gemaakt, mede omdat verzoeker zonder rechtmatig verblijf het familieleven in Nederland is gaan uitoefenen en er geen objectieve belemmeringen zijn aangetoond om het gezinsleven in Nigeria voort te zetten.
Verzoeker bracht nieuwe omstandigheden pas tijdens de zitting naar voren, die niet in bezwaar waren aangevoerd, waardoor verweerder hier geen rekening mee kon houden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde eveneens wegens het ontbreken van concrete vergelijkbare gevallen.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.