ECLI:NL:RBDHA:2021:15849
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende studievoortgang
Eiser, een Pakistaanse student, had een verblijfsvergunning voor studie die geldig was tot 2 juli 2021. Deze vergunning werd ingetrokken met ingang van 24 januari 2020 vanwege onvoldoende studievoortgang, nadat de Universiteit hem had afgemeld als student. Eiser had zich weliswaar aangemeld bij een andere onderwijsinstelling, maar er was geen nieuwe erkende referent ten tijde van het besluit.
Eiser voerde aan dat psychische problemen en inspanningen om een nieuwe studie te vinden meegewogen moesten worden, en dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld een andere opleiding te zoeken. De rechtbank oordeelde dat verweerder deze omstandigheden niet hoefde mee te wegen, omdat de problemen aan de Universiteit gemeld hadden moeten worden en de wettelijke bepalingen omtrent wijziging van referent niet op deze situatie van toepassing zijn.
De rechtbank concludeerde dat de intrekking rechtmatig was op grond van de Vreemdelingenwet en dat het evenredigheidsbeginsel niet werd geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wegens onvoldoende studievoortgang is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.