ECLI:NL:RBDHA:2021:15806
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning als slachtoffer mensenhandel wegens ontbreken noodzakelijkheid aanwezigheid in Nederland
Eiseres, een Nigeriaanse vrouw, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel. Na een eerdere asielaanvraag en een Dublinprocedure waarbij Italië als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen, deed zij aangifte van mensenhandel. Het Openbaar Ministerie besloot echter geen vervolging in Nederland in te stellen wegens gebrek aan rechtsmacht en opsporingsindicaties. Verweerder wees haar aanvraag voor een verblijfsvergunning af omdat haar aanwezigheid in Nederland niet noodzakelijk werd geacht voor opsporing en vervolging.
Eiseres stelde dat het beleid dat onderscheid maakt tussen Dublinclaimanten en niet-Dublinclaimanten in strijd is met het nuttig effect van Richtlijn 2004/81/EG en dat haar aanwezigheid in Nederland wel degelijk van belang kan zijn voor andere zaken. Ook voerde zij aan dat het besluit onzorgvuldig was en onevenredige gevolgen had vanwege haar persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat de weigering terecht was, omdat de voorwaarden voor verlening van de vergunning rechtstreeks volgen uit het Vreemdelingenbesluit en het OM haar aanwezigheid niet noodzakelijk acht.
De rechtbank verwierp de stellingen over strijd met de Richtlijn en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook het beroep op onevenredigheid faalde omdat eiseres in Italië aangifte kan doen en bescherming kan vragen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel wordt ongegrond verklaard.