ECLI:NL:RBDHA:2021:15771
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op uitstel van vertrek wegens medische zorg in Irak
Eiser, een Iraakse staatsburger met diverse medische klachten, waaronder PTSS en alcoholmisbruik, verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris wees dit verzoek af op basis van BMA-adviezen waarin werd gesteld dat de benodigde zorg, medicatie en mantelzorg beschikbaar zijn in Bagdad.
Eiser betoogde dat de zorg niet beschikbaar is, onder meer omdat hij geen contactgegevens van het ziekenhuis had en twijfels had over de beschikbaarheid van het medicijn Topiramaat. De rechtbank overwoog dat verweerder de contactgegevens had verstrekt en dat eiser onvoldoende bewijs leverde om de juistheid van de BMA-adviezen te betwisten. Ook de financiële situatie van eiser en zijn sociale netwerk in Irak werden onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Verder stelde eiser dat hij zich niet kon vestigen in Bagdad vanwege gebrek aan woonruimte en mantelzorg, maar de rechtbank vond dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet aan de vestigingseisen kon voldoen. Het algemene beeld van moeilijke levensomstandigheden in Bagdad bood volgens de rechtbank geen voldoende grond om het beroep toe te wijzen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om uitstel van vertrek te weigeren wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.