ECLI:NL:RBDHA:2021:15421

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2021
Publicatiedatum
21 januari 2022
Zaaknummer
AWB 21_706
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:83 AwbArt. 1:3 AwbArt. 72 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd inzake spoedvoorziening terugkeerbesluit vreemdeling

Op 15 januari 2021 is aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd op grond van artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, met een inreisverbod van een jaar. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om de behandeling van het beroep in Nederland bij te mogen wonen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een e-mail van de regievoerder aan de gemachtigde van verzoeker slechts een feitelijke mededeling betreft en geen nieuw besluit of feitelijke handeling is. Hierdoor is de voorzieningenrechter niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot spoedvoorziening.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en wordt geen ordemaatregel getroffen. Er is ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd en wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 21/706 IRV/TKB (geen ordemaatregel)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2021 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2021 (het bestreden besluit) is op grond van artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd, waardoor verzoeker binnen 28 dagen Nederland en het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland moet verlaten. In ditzelfde besluit is aan verzoeker een inreisverbod van een jaar opgelegd.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer NL21.1430). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (zaaknummer AWB 21/706) te treffen.
Bij fax van 9 februari 2021 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van spoedvoorziening te bepalen dat verzoeker de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit in Nederland mag bijwonen.
Verweerder is niet gevraagd om een verweerschrift in te dienen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart zich onbevoegd van de door verzoeker ingestelde spoedvoorziening kennis te nemen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:83, derde lid, in samenhang met artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien hij kennelijk onbevoegd is of indien het verzoek kennelijk gegrond, ongegrond of niet-ontvankelijk is, uitspraak doen zonder zitting. De voorzieningenrechter ziet aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken.
2. In het bestreden besluit is aan verzoeker een termijn van 28 dagen gegeven om Nederland en het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland te verlaten. Op 8 februari 2021 is door de regievoerder aan de gemachtigde van verzoeker een e-mail gezonden. In deze e-mail staat het volgende:

Goedemiddag,Uw client de heer A. is verschenen op de meldplicht.Hij had echter geen ticket bij zich omdat hij in de veronderstelling is dat hij het beroep en vovo mag afwachten.
Dat is niet het geval.
Graag ontvang ik van hem als afgesproken de ticket met vertrek uiterlijk 12 februari. Dit dient een vlucht te zijn met vertrek vanaf Schiphol zonder transit in de EU. (…)
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de inhoud van deze e-mail een feitelijke mededeling die niet op rechtsgevolg is gericht. Met deze e-mail is door de regievoerder uitsluitend mededeling gedaan van het uit het bestreden besluit voortvloeiende rechtsgevolg, namelijk dat verzoeker uiterlijk 12 februari 2021 (28 dagen na de datum van het bestreden besluit) Nederland en het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland dient te verlaten. Er zijn echter geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen.
4. De conclusie is dan ook dat de e-mail geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het verzoek is ook niet gericht tegen een feitelijk handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw. De e-mail is in zoverre slechts een informatieve mededeling richting verzoeker.
5. Dit betekent dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van de door de vreemdeling verzochte spoedvoorziening kennis te nemen.
6. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een ordemaatregel te treffen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.G. Kamphof, griffier, op 11 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt via publicatie op rechtspraak.nl
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.