De Vereniging Consumentenbond diende namens een consument een klacht in tegen Google wegens het onrechtmatig volgen van de locatie van een Android-smartphone, in strijd met diverse artikelen van de GDPR. De Consumentenbond verzocht de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) handhavend op te treden, maar AP verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de Consumentenbond geen belanghebbende was.
De rechtbank oordeelde dat de statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden van de Consumentenbond, gericht op de bescherming van consumentenbelangen en privacy, voldoende specifiek en rechtstreeks betrokken zijn bij het besluit. Hierdoor kwalificeert de vereniging zich als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verder stelde de rechtbank vast dat de ingebrekestelling wegens niet tijdig beslissen prematuur was, omdat het onderzoek onder leiding van de Ierse toezichthouder plaatsvindt en de Nederlandse AP slechts betrokken toezichthouder is. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht en onjuiste belangenafweging, en veroordeelde de AP tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.