ECLI:NL:RBDHA:2021:14795
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank stelt ingangsdatum Wlz-indicatie vast op dag aanvang zorg, niet aanvraagdatum
In deze bestuursrechtelijke zaak vordert eiser, zoon van de overledene [A], dat de ingangsdatum van de Wlz-indicatie wordt vastgesteld op de dag waarop de zorg daadwerkelijk begon, namelijk 19 december 2020, in plaats van de door verweerder vastgestelde datum van 2 januari 2021.
De rechtbank stelt vast dat [A] vanaf 19 december 2020 zorg ontving, eerst in een zorgpension en daarna thuis verzorgd door een verpleegkundige. Verweerder had de indicatie toegekend met ingang van 2 januari 2021, aansluitend op een eerstelijnsverblijf, en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelt dat artikel 3.2.4, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg (Blz) niet beperkt is tot situaties van opname in een zorginstelling, maar ook van toepassing is indien de verzekerde wegens bijzondere omstandigheden reeds zorg ontvangt. De beleidsregels die een maximale terugwerkende periode van vijf dagen hanteren, zijn niet bindend voor de wettelijke regeling.
Gelet hierop vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover de ingangsdatum op 2 januari 2021 is bepaald, en stelt de ingangsdatum vast op 19 december 2020. Tevens wordt verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van de Wlz-indicatie vast op 19 december 2020, de dag waarop de zorg is aangevangen.