Eiser diende beroep in tegen het besluit van de staatsecretaris tot intrekking van zijn verblijfsvergunning. Dit beroep werd op 30 maart 2021 ingetrokken nadat verweerder aan eiser tegemoet was gekomen. Eiser verzocht vervolgens om vergoeding van de proceskosten die hij redelijkerwijs had moeten maken.
De rechtbank overwoog dat het verzoek om proceskostenvergoeding gegrond was en veroordeelde verweerder tot betaling van een forfaitaire vergoeding van € 748,-. Verweerder had aangevoerd dat het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening als één zaak moesten worden beschouwd, maar de rechtbank verwierp dit standpunt. De rechtbank stelde dat beroep en voorlopige voorziening twee verschillende procedures zijn met eigen wettelijke kaders, en dat de samenhang in eerdere jurisprudentie alleen bestond omdat beide zaken op zitting werden behandeld.
De rechtbank benadrukte dat de huidige systematiek waarbij indieners worden gestimuleerd standaardformulieren te gebruiken, niet mag leiden tot een lagere proceskostenvergoeding door onbedoelde samenvoeging van verzoeken. Daarom werd het verzoek om samenhang afgewezen en verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.