ECLI:NL:RBDHA:2021:14473
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking IOAW-uitkering wegens hoofdverblijf
Verzoekster had een IOAW-uitkering toegekend gekregen, die door verweerder per 2 september 2021 werd ingetrokken op grond van het niet hebben van haar hoofdverblijf op het opgegeven adres. Dit volgde op een anonieme melding en een onderzoek met huisbezoeken en administratieve gegevens, waaronder waterverbruik.
Verzoekster betwistte het besluit en voerde aan dat zij wel degelijk haar hoofdverblijf had op het adres, ondersteund door verklaringen van buren en haar uitleg over laag waterverbruik en taalproblemen. Zij stelde ook dat zij haar verklaring tijdens het huisbezoek niet goed kon lezen en onder druk haar handtekening had gezet.
De voorzieningenrechter overwoog dat het hoofdverblijf wordt bepaald aan de hand van het zwaartepunt van het persoonlijk leven en concrete feiten. De bevindingen van het huisbezoek, het lage waterverbruik en de omstandigheden gaven voldoende grond om te oordelen dat verzoekster niet haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres.
De verklaringen van buren en de stellingen over bronwater en taalproblemen werden niet gevolgd. De voorzieningenrechter ging uit van de juistheid van de ondertekende verklaring en vond het aannemelijk dat verzoekster de vragen begreep.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en bleef het besluit tot intrekking van de uitkering in stand.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de IOAW-uitkering wordt afgewezen.