ECLI:NL:RBDHA:2021:14449
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens niet voldoen aan inburgeringsvereiste
Eiser, een Marokkaanse nationaliteitdragende man die sinds 1980 in Nederland verblijft en sinds 1989 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd had, verzocht om wijziging van zijn verblijfsvergunning in niet-tijdelijke humanitaire gronden. Deze aanvraag werd afgewezen omdat hij niet had aangetoond het inburgeringsexamen te hebben behaald en geen geldige vrijstelling had. De brief van DUO waarin staat dat eiser niet inburgeringsplichtig zou zijn, werd niet als vrijstelling erkend.
Eiser voerde aan dat het inburgeringsvereiste in zijn situatie onredelijk is en in strijd met artikel 15 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn en het arrest C en A, mede gezien zijn lange verblijfsduur, vloeiende beheersing van de Nederlandse taal en eerdere autonome verblijfsvergunning. De rechtbank oordeelde dat het inburgeringsvereiste niet in strijd is met de richtlijn en dat verweerder terecht heeft getoetst aan dit vereiste, aangezien eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling en geen beroep deed op de hardheidsclausule.
Verder stelde eiser dat het besluit in strijd is met zijn privéleven en de belangen van zijn minderjarige kinderen zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro en artikel 24 van Pro het Handvest. De rechtbank vond dat eiser reeds een verblijfsvergunning had waarmee hij zijn gezinsleven kon uitoefenen en dat de belangen van de kinderen voldoende waren gewaarborgd. Ook was er geen sprake van schending van de hoorplicht omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.