ECLI:NL:RBDHA:2021:13866
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening beroepschrift tegen naheffingsaanslag omzetbelasting
Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 29 oktober 2013 tot en met 30 september 2016. Na een eerste bezwaarprocedure handhaafde de Belastingdienst de naheffingsaanslag en de belastingrente, maar vernietigde de opgelegde boete. Eiser diende vervolgens op 7 mei 2020 een nieuw beroepschrift in tegen deze uitspraak op bezwaar, terwijl de wet geen mogelijkheid biedt voor een tweede bezwaar tegen dezelfde naheffingsaanslag.
De rechtbank stelde vast dat het beroepschrift als beroep moest worden aangemerkt en beoordeelde of dit tijdig was ingediend. Volgens artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen moest het beroepschrift binnen zes weken na de uitspraak op bezwaar van 27 oktober 2017 worden ingediend, dus uiterlijk op 8 december 2017. Het beroepschrift van eiser werd pas op 7 mei 2020 ontvangen, ruim na deze termijn.
Eiser voerde aan dat hij zich aanvankelijk bij de uitspraak op bezwaar had neergelegd en pas later bezwaar maakte vanwege invorderingsrente en kosten. De rechtbank oordeelde echter dat het te late indienen van het beroepschrift aan eiser kan worden toegerekend, omdat niet is gebleken dat het voor hem onmogelijk was om tijdig te reageren.
Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank wees ook op een samenhangende zaak met betrekking tot invorderingsrente en -kosten, die separaat werd behandeld. De uitspraak is gedaan door rechter G.J. Ebbeling op 10 december 2021.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift.