ECLI:NL:RBDHA:2021:13674
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging ZW-uitkering wegens onjuiste einddatum en schending hoorplicht
Eiser, arbeidsongeschikt sinds een motorongeluk in 2016, ontving een Ziektewetuitkering (ZW) na beëindiging van een tijdelijk dienstverband. Verweerder besloot de ZW-uitkering per 5 maart 2020 te beëindigen op basis van medische beoordelingen van verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundige.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat het besluit onzorgvuldig was genomen, onder meer vanwege het ontbreken van een hoorzitting, het niet meenemen van medische informatie van zijn orthopedisch chirurg, en een onjuiste einddatum van de uitkering zonder inachtneming van de wettelijke uitlooptermijn.
De rechtbank oordeelt dat de hoorplicht is geschonden omdat eiser niet adequaat is gehoord, maar dat dit gebrek niet tot benadeling heeft geleid. De medische informatie van de orthopedisch chirurg was wel degelijk meegenomen. De rechtbank stelt vast dat de uitlooptermijn van één maand op grond van artikel 19aa Ziektewet van toepassing is, waardoor de uitkering ten onrechte per 5 maart 2020 werd beëindigd en correct op 30 maart 2020 had moeten eindigen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het de einddatum betreft, herroept het primaire besluit en bepaalt dat de ZW-uitkering per 30 maart 2020 eindigt. Tevens wordt verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering per 5 maart 2020 en stelt de einddatum op 30 maart 2020.