ECLI:NL:RBDHA:2021:12644

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 november 2021
Publicatiedatum
18 november 2021
Zaaknummer
NL21.16386
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep verblijfsvergunning asiel wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen als niet-ontvankelijk. De rechtbank behandelde het beroep op 8 november 2021, waarbij eiser noch zijn gemachtigde aanwezig waren.

Uit een brief van de verweerder bleek dat eiser op 28 oktober 2021 met onbekende bestemming Nederland heeft verlaten zonder contact op te nemen met zijn gemachtigde. Volgens vaste jurisprudentie wordt dan aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de bescherming waarvoor hij aanvankelijk een aanvraag deed.

De rechtbank concludeerde dat eiser geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming zonder contact.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.16386

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 2 november 2021 heeft verweerder laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.16387, op 8 november 2021 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Zijn gemachtigde is met bericht van verhindering ook niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Verweerder heeft bij brief van 2 november laten weten dat eiser op 28 oktober 2021 met onbekende bestemming is vertrokken.
2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland internationale bescherming heeft gevraagd en met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde.
3. Niet is gebleken dat eiser nog in contact staat met zijn gemachtigde. De rechtbank neemt daarom aan dat eiser geen prijs meer stelt op internationale bescherming in Nederland, zodat hij geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2021 door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.J. Valk, griffier.
griffier
rechter
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.